100 begrijpelijke alternatieven voor ambtelijk taalgebruik (deel 2!)

100 begrijpelijke alternatieven voor ambtelijk taalgebruik (deel 2!)

Leestijd 6 minuten
Geschreven door Kris

Leestijd 4 minuten
Geschreven door Kris

We roepen het eigenlijk altijd al: schrijven in spreektaal maakt je tekst niet alleen levendiger, maar ook een stuk beter begrijpelijk. Ook als je zakelijk schrijft. Sterker nog: juíst als je zakelijk schrijft wil je ambtelijk taalgebruik vermijden. Want dan wil je toch graag dat je boodschap duidelijk overkomt, of niet? Vorig jaar gaven we je al 100 alternatieven voor ambtelijke uitdrukkingen en vandaag zijn de wollige werkwoorden aan de beurt! 

Zeker in de ambtelijke en academische wereld kiezen veel mensen toch vaak voor zakelijke schrijftaal. Helemaal niet nodig! Kies in plaats van derhalve voor dus, in plaats van inzake voor over en ofschoon wordt hoewel. Duidelijker, toch? En dat geldt niet alleen voor dit soort verwijswoorden, maar ook voor werkwoorden. Neem een willekeurig zakelijk rapport en werkwoorden als anticiperen, fluctueren en accorderen vliegen je om de oren. Dat kan gemakkelijker! Onderzoek wijst namelijk uit dat een natuurlijke tekst (in spreektaal dus!) een positief effect heeft op je imago. Nóg een voordeel van toegankelijk taalgebruik dus.

Hoe los je dat op? Heel gemakkelijk: bedenk hoe je iets zou zeggen als je het in een gesprek aan iemand uitlegt. Gebruik die woorden ook in je tekst. Geen overdreven moeilijke of ouderwetse woorden dus, en al zeker niet te veel vakjargon. Andersom kan ook: lees eens hardop voor wat je geschreven hebt. Klinkt dat lekker?

Onze Taal bedacht een enorme lijst met alternatieven voor ambtelijk taalgebruik. Wij lichten hier de 100 wolligste werkwoorden voor je uit. En daarbij maken we het heel gemakkelijk voor je, want je vindt meteen een veel beter alternatief dat wél door de spreektaalcontrole komt.

Ambtelijk taalgebruik? Dit zijn betere alternatieven

  1. aanvangen = beginnen, starten
  2. accorderen = instemmen met
  3. achten = vinden, van mening zijn
  4. adhesie betuigen =  instemmen, steunen, laten merken dat je het ermee eens bent
  5. afvloeien = verminderen
  6. anticiperen = verwachten, vooruitlopen op
  7. appelleren = in hoger beroep gaan, protesteren
  8. behagen = in de smaak vallen, prettig vinden
  9. behelzen = gaan over, bevatten, inhouden
  10. behoeven = moeten, hoeven, nodig hebben, nodig zijn, willen
  11. behoren = moeten, horen
  12. bekomen = krijgen
  13. bestendigen = voortzetten, vasthouden
  14. bestrijken = (deze stukken) gaan over, (deze periode) duurt van … tot …
  15. bewerkstelligen = zorgen voor, doen
  16. bezigen = doen, aan iets werken, gebruiken
  17. borgen = vasthouden aan, zorgen dat iets (goeds) blijft bestaan/voortgezet wordt
  18. concipiëren = ontwerpen, schetsen; zwanger worden
  19. constateren = zien, vaststellen
  20. consulteren = advies vragen, hulp zoeken
  21. continueren = doorgaan, volhouden
  22. creëren=  maken
  23. de mening toegedaan zijn = vinden, denken
  24. dienen te = moeten
  25. differentiëren = onderscheiden, verschillen, verschil maken
  26. doen toekomen = toesturen, opsturen, sturen
  27. doorgang vinden = doorgaan, plaatsvinden
  28. effectueren = uitvoeren, doen
  29. elimineren = uitschakelen, verwijderen
  30. expireren = verlopen, vervallen, aflopen, eindigen
  31. expliceren = verklaren, uitleggen, duidelijk maken
  32. faciliteren = ondersteunen, mogelijk maken
  33. fiatteren = goedkeuren, bekrachtigen
  34. fungeren = dienst doen als, optreden als
  35. gekant zijn tegen = tegen iets zijn, bezwaren hebben tegen
  36. genereren = maken, ontwikkelen, ervoor zorgen dat iets er komt
  37. geschieden = gebeuren
  38. gewag maken van = melden, bekendmaken
  39. implementeren = invoeren, uitvoeren, ervoor zorgen dat iets wordt toegepast
  40. impliceren = inhouden, betekenen
  41. in de gelegenheid zijn = kunnen
  42. initiëren = beginnen, in gang zetten
  43. in overweging nemen = nadenken over
  44. integreren = inpassen, aanpassen, bij elkaar brengen
  45. insisteren = aandringen op
  46. in werking stellen = beginnen, starten
  47. inwilligen = toestaan, toestemming geven, toestemming verlenen aan; zich schikken in of naar, toegeven
  48. kennisnemen van = horen, lezen
  49. legitimeren = wettigen, verantwoorden, aantonen dat iets goed is, bewijzen dat iemand echt degene is die hij zegt dat hij is
  50. lering trekken uit = wijzer worden van, iets als een wijze les zien/gebruiken
  51. manifest worden = duidelijk worden
  52. monitoren = bekijken, bestuderen, in de gaten houden
  53. motiveren = redenen geven, uitleggen waarom
  54. nopen (tot) = dwingen (tot), noodzaken (tot), noodzakelijk maken
  55. ontberen = eraan ontbreken, niet hebben
  56. onthouden = niet geven, niet toekennen
  57. ontplooien = ontwikkelen, uitvoeren
  58. opteren voor = kiezen voor, de voorkeur geven aan
  59. participeren = meedoen, deelnemen
  60. pogen = proberen
  61. preluderen op = alvast iets zeggen over iets wat later aan de orde komt
  62. prevaleren = voor laten gaan
  63. prioriteren = iets voorrang geven, je eerst op x richten
  64. ramen = schatten, begroten
  65. realiseren = maken, bouwen, behalen, bereiken
  66. refereren aan = verwijzen naar
  67. reflecteren = ergens op reageren
  68. resulteren in = leiden tot
  69. ruchtbaarheid geven aan = aandacht geven, bekendmaken
  70. seponeren = niet vervolgen, er niets mee doen
  71. stagneren = vertraagd raken, tot stilstand komen
  72. stellen = verklaren, meedelen
  73. tegemoet zien = verwachten, krijgen
  74. ter beschikking hebben = hebben, bezitten
  75. terechtwijzen = iemand op de vingers tikken, iemand zeggen dat hij een fout maakt
  76. ter hand nemen = beginnen
  77. ter hand stellen = geven
  78. (doen) toekomen = sturen
  79. toetsen aan = vergelijken met
  80. tot taak hebben = moeten
  81. trachten = proberen
  82. van mening zijn = vinden
  83. van oordeel zijn = vinden
  84. van plan zijn = willen
  85. van start gaan = beginnen
  86. vergewissen, zich ervan = zekerheid moeten hebben over, zeker moeten weten dat; ervoor zorgen iets zeker te weten, uitzoeken
  87. verkiezen boven = kiezen voor iets anders, iets anders een betere keuze vinden
  88. verwerven = kopen, krijgen
  89. verzuimen = niet doen wat je zou moeten doen, je niet aan de afspraak houden
  90. vigeren = gelden
  91. voorhanden zijn = beschikbaar zijn
  92. voornemens zijn = van plan zijn, willen
  93. voorwaarden scheppen = mogelijk maken
  94. vorderen = eisen
  95. waarborgen = zorgen dat iets blijft bestaan, vasthouden
  96. waarnemen = zien; tijdelijk de functie hebben van
  97. werkzaam zijn = werken
  98. woonachtig zijn = wonen
  99. zich beraden = nadenken over
  100. zorg dragen = ervoor zorgen

Meer schrijftips?

Wil je meer weten over toegankelijk schrijven? Of heb je andere vragen over heldere teksten? Neem direct contact op! Of schrijf je in voor onze nieuwsbrief met elke week onze liefde voor letters vertaald naar schrijfinspiratie voor jou!

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

× App ons!